Dit artikel is geschreven voor het boek “Digitale Dialoog, de sociale media-almanak voor gemeenten”, dat verscheen op 23 oktober 2014.

Heeft het buurtinitiatief toekomst?
Meer en meer buurtinitiatieven steken de kop op. Bewoners die gezamenlijk het groen in hun wijk onderhouden, hele straten die samenwerken om leegstand tegen te gaan, dorpen die een zorgcoöperatie opzetten, vrijwilligers die samen het zwembad of de kinderboerderij van de ondergang willen redden. Wat op het eerste gezicht een mooie ontwikkeling lijkt, draagt veel uitdagingen met zich mee. Hoe hou je mensen betrokken? Wie is er verantwoordelijk? Waar haal je het geld vandaan? Niet alleen vraagstukken voor het initiatief zelf, maar vaak ook voor de gemeente. En welke rol spelen sociale media en nieuwe internet platformen hierbij?

Participatiesamenleving is geen appeltje-eitje
Het lijkt zo mooi: een samenleving met alleen actieve burgers. Of zoals Willem- Alexander het stelde in de Troonrede van 2013: de participatiesamenleving, waarin minder verzorgingsstaat, meer burgerschap betekent. Helaas werkt het niet zo. “Nee, de participatiesamenleving markeert niet het einde van de klassieke verzorgingsstaat. Evenmin is het louter een zaak van herverdelen van taken en verantwoordelijkheden tussen overheid, burgers en markt. En ook geen kwestie van doe-democratie of iets wat we gezellig samen doen. En al helemaal geen appeltje-eitje.” Aan het woord is Evelien Tonkens. De socioloog geeft ‘misvattingen over de participatiesamenleving’in haar afscheidsrede als bijzonder hoogleraar burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam.

Ik kan uit ervaring zeggen, dat het, zoals Tonkens al zegt, geen appeltje-eitje is. En dan ben ik notabene opgegroeid in een streek waar het naoberschap heel gewoon is. Maar tijden zijn veranderd. We hebben minder tijd voor burenhulp door onze betaalde banen en onze vrijetijdsbesteding. We zijn gewend geraakt aan professionele hulp in onze verzorgingsstaat. En dan heb ik het nog niet over de vele regels en wetgeving, die ooit in het leven geroepen zijn om te zorgen voor evenredige verdeling en gelijkheid, maar tegelijkertijd veel nieuwe initiatieven in de weg staan.

‘Wederzijdse hulpverleningsdienst’
Even terug naar dat naoberschap (nabuurschap). In vroeger tijden was het in plattelandsgebieden in Drenthe, Twente en de Achterhoek heel gewoon om elkaar te helpen. Nu moeten we hier eerlijkheidshalve aan toevoegen dat er eigenlijk geen keus was. De gezamenlijke naobers vormden een kleine, sociale gemeenschap, waarbinnen de naoberplicht gold. Dit houdt in een verplichting, de naobers bij te staan met raad en daad wanneer dat nodig is. En dat was nogal eens nodig. Er heerste op de arme zandgrond veel armoede. Bovendien was het een slecht ontsloten gebied. Vroedvrouwen, dokters, begrafenisondernemers, daar had je niet zo veel aan op het slecht bereikbare platteland in het oosten.

Natuurlijk had je familie om te helpen, vaak drie generaties op een boerderij. Maar familie alleen was niet genoeg. Je had ook je naobers gedurende je hele leven hard nodig. Bij geboorte, huwelijk, ziekte en sterfte namen de buren taken op zich. Kortom: naobers op het platteland in het oosten van Nederland waren wederzijds afhankelijk van elkaar. Vanuit dat besef hebben ze zich georganiseerd en in feite hun ‚wederzijdse hulpverleningsdienst’ opgezet. Zelfredzaamheid door samenwerking was de enige mogelijkheid om te kunnen (over)leven.

En naar dit principe van wederzijdse hulpverleningsdienst wordt nu steeds meer terug verwezen. Noem het participatiemaatschappij, noem het modern naoberschap, noem het sociale cohesie. Voortkomend uit schaarste: bezuinigingen, een crisis, een menselijke behoefte aan samen zijn, onvrede met de bestaande omstandigheden of, zoals vroeger, een kwestie van (over)leven. En voortkomend uit een gevoel van overvloed: door veranderende omstandigheden, meer kansen om verandering te brengen, roep om zelfredzaamheid. Dit geeft pioniers ruimte voor nieuw initiatief en buurtinitiatieven worden omarmd door traditionele partijen. We zijn op zoek naar voorbeelden en kansen, naar experimenten, naar nieuwe mogelijkheden.

Hoe ga je als gemeente om met deze experimenten? Welke uitdagingen kun je tegenkomen? Wat zijn mogelijke oplossingen? Aan de hand van praktijkvoorbeelden neem ik je mee en deel een aantal tips. Ook vermeld ik de rol van sociale media en internetplatformen, zonder hierbij volledig te willen zijn.

Idee of een plan?
In 2012 ontstond bij mij het idee voor ‘modern naoberschap in uitvoering’: een fysieke plek waar mensen uit de buurt elkaar kunnen ontmoeten en elkaar kunnen helpen hun ideeën waar te maken. In eerste instantie gericht op bedrijven en na verschillende gesprekken gericht op iedereen: individuen, verengingen, stichtingen, organisaties. Als betrokken bewoner, ondernemer en schrijver van een boek over modern naoberschap wist ik dat er behoefte is aan kennisdeling en lokale samenwerking. Veel mensen weten niet van elkaars bestaan, kennis en vaardigheden en al helemaal niet van elkaars wensen, dromen en ideeën. Wanneer we dit met elkaar zouden kunnen verbinden, zou onze stad mooier, beter en leuker worden. Daar was ik van overtuigd. In dagelijkse gesprekken en door berichten op sociale media werd ik meer en meer bevestigd in dit gevoel.

Ik trok de stoute schoenen aan en maakte een afspraak met de burgemeester en wethouder economische zaken (het was in eerste instantie immers een idee voor bedrijven). Hier werd duidelijk dat ik vooral een idee had. Ik wist wat ik wilde, maar wist nog niet hoe dit gerealiseerd zou moeten worden. Door de gesprekken die volgden met de burgemeester, de gemeentesecretaris, ambtenaren die zich bezig hielden met de lange termijn visie voor onze stad, andere ondernemers, vrienden en kennissen, werd mijn idee helderder en vormde zich een plan. De contouren werden steeds meer zichtbaar. Veelal werd er gevraagd naar plannen en businessmodellen. Hier had het initiatief vele malen op stuk kunnen lopen. Door mijn eigen enthousiasme en vastberadenheid, hield ik het vol om maanden lang bezig te zijn met de plek voor ‘modern naoberschap in uitvoering’.

Mijn idee kreeg door de vele offline en online gesprekken de kans uit te groeien tot een plan dat voldoende potentie had om als experiment uitgevoerd te worden. Facebook bleek een uitstekende plek om ballonnetjes op te laten en vragen te stellen. Meer en meer mensen dachten mee, hielpen me verder. Dit resulteerde in de opzet van BS22, een werkplaats voor het waarmaken van ideeën in een leegstaand pand in de binnenstad van Groenlo. Bij BS22 zien we het delen van je ideeën en dromen als de grootste stap in de richting van een succesvol (buurt)initiatief. Veel goede ideeën worden nooit uitgevoerd, omdat we gewend zijn mensen naar een plan te vragen. Mijn tip: ga in gesprek over het idee. Waar komt het vandaan? Wat lost het op? Voor wie is het belangrijk? Luister, stel veel vragen. Zo help je de initiatiefnemer om het verhaal scherper neer te zetten. Op welke vragen is een antwoord noodzakelijk? En wat kun je uitzoeken tijdens het proces? En, ja, dit kost veel tijd, maar geeft je tegelijkertijd veel informatie. Maar pas op: neem het initiatief niet over. Initiatiefnemers blijven zelf eigenaar van hun idee.

Bottom-up of top-down?
De kracht van buurtinitiatieven zit vaak in de bottom-up gedachte. Een groep mensen wil zelf iets veranderen aan een bestaande situatie. Daar kan wel een top-down beslissing aan ten grondslag liggen. Voorbeeld is het onderhoud van groen in wijken. De gemeente die te maken heeft met bezuinigingen, kan hier op verschillende manieren mee omgaan. Oplossing A: zonder overleg met buurtbewoners de arbeidsintensieve borders verwijderen en vervangen door gras, dat makkelijk te maaien is in grote oppervlakten. Of oplossing B: in gesprek gaan met de buurt over de wensen voor het groen. Vertellen dat er bezuinigt moet worden, aangeven wat de opties zijn en vertellen welke consequenties hieraan verbonden zijn. Dit geeft buurtbewoners de mogelijkheid om te reageren.

Wanneer er een groep opstaat die zelf voor het onderhoud wil zorgen, kun je als gemeente denken: wie is er verantwoordelijk? Wie spreek ik aan wanneer niemand meer naar de borders omkijkt? Je kunt het ook zien als experiment: goede afspraken maken over de verwachtingen over en weer en denken ‘als het over twee jaar niet blijkt te werken en er moet toch gras komen, hebben we twee jaar onderhoud uitgespaard’. Zorg in dit geval ook voor evaluatiemomenten waarin je echt luistert en doorvraagt. Gaat het goed of zijn er barstjes in het initiatief aan het ontstaan? Zijn er steeds minder mensen die willen helpen? Waar ligt dit aan? Is er behoefte aan het lenen van professioneel gereedschap? Is er advies van een ervaren tuinman nodig? Is er behoefte aan waardering? Bottom-up wil niet zeggen dat je het hele proces los laat, dat er geen hulp nodig is. Tip: Bottom-upinitiatieven zijn vaak gebaat bij ondersteuning, meedenken en het inzetten van (professioneel) netwerk. Vergeet niet dat deze oplossing bespaart in de kosten, maar dat is iets anders dan gratis of voor niets. Breng het benodigde budget in kaart, geef hierover openheid aan de initiatiefnemers en hou vinger aan de pols.

Bewoners maken in deze fase gebruik van verschillende platformen. Voorbeelden zijn: op Facebook worden oproepen geplaatst en in, al dan niet geheime, groepen worden afspraken gemaakt en ervaringen uitgewisseld. Op peerby.com delen mensen hun spullen, op fiksers.com vind je spullen, organiseer je hulp en fiks je het samen. En natuurlijk worden er ook nog steeds huis-aan-huis briefjes verspreid.

Experiment mogelijk maken
Veel oplossingen die tegenwoordig aangedragen worden zijn ‘anders’. We kunnen niet teruggrijpen op voorgaande situaties en eerdere ervaringen. Daar komt bij dat de technologie ons een handje helpt. Wat te denken van bijvoorbeeld thuisgehaald.nl waar thuiskoks hun teveel gekookte maaltijden aanbieden aan buurtbewoners. Dit heeft allerlei positieve effecten, zoals nieuwe sociale contacten in de buurt, een gezonde maaltijd voor ouderen, zieken en mensen die geen zin of tijd hebben om te koken, een gevoel van ‘ertoe doen’ bij de koks. Maar bij deze koks geen Voedsel- en Warenautoriteit en HACCP. Nee, bij thuisgehaald.nl is alles gebaseerd op vertrouwen. Eigenlijk is dit systeem niet anders dan het oude naoberschap in een nieuw jasje. De participatiesamenleving ten voeten uit. Met als belangrijke stap: het loslaten van regels en wetten. Het resultaat is immers belangrijker dan het voldoen aan regels.

Ook bij BS22 draait alles om het experiment. Geen vastomlijnd plan, maar uitproberen en bijsturen. Steeds in gesprek blijven met betrokkenen. In het boek ‘Pioniers in de stad’ van Lokale Lente (een community van wijkondernemers) is aandacht voor 24 initiatieven uit Amsterdam. Concrete antwoorden van actieve mensen om in hun eigen buurt met nieuwe vraagstukken zoals leegstand, het ontbreken van sociale netwerken, het wegvallen van subsidies om te gaan. En die vragen hebben geen pasklaar antwoord. Sterker nog, de antwoorden zijn in de verschillende wijken niet hetzelfde, bijvoorbeeld door andere samenstelling van bewoners. De regels en wetten die we hebben opgesteld hebben vaak te maken met gelijkheid en eerlijke verdeling.

Nieuwe vraagstukken, zijn hier niet bij gebaad. Ze vragen om steeds andere oplossingen. Wat je toestaat bij het ene initiatief, kun je best verbieden in een andere buurt. Dit betekent wel dat je duidelijk moet zijn, je afwegingen helder moet communiceren. Openheid is hierbij de beste strategie. Vergeet daarbij de sociale media niet. En neem ook eens een kijkje op voordebuurt.nl en bottomup.ruimtevolk.nl voor inspiratie en kennisdeling.

Luister en ga in gesprek
Onlangs zat ik in gesprek met een lokale politieke partij. Een raadslid was van mening dat de betrokkenheid bij lokale politiek laag is: ”Er komt bijna niemand naar de raadsvergaderingen, iedereen die wil inspreken is welkom. Maar daar zien we ze niet.” Heb je de discussies op Facebook gezien? vroeg ik hem. “Nee, daar kijk ik niet naar, voor inspraak zijn de vergaderingen.” Ons politieke systeem is bedacht vóór het internettijdperk. Mensen zijn heel betrokken en er zijn tegenwoordig andere plekken waar we met elkaar in gesprek kunnen gaan, waar we kunnen zien wat er leeft, waar nieuwe initiatieven ontstaan en gedeeld worden. Om een totaalbeeld te kunnen vormen van een situatie zijn alleen inspraakavonden en buurtbijeenkomsten niet meer voldoende. Het gesprek vindt plaats op andere plekken. Weet waar je zijn moet. Natuurlijk brengt dit allerlei nieuwe vraagstukken met zich mee. Ga je als ambtenaar zelf in gesprek of laat je dit over aan de voorlichter? Wat te doen met petities waarin het halve verhaal wordt verteld? Ga je in discussie of ga je op zoek naar de kern? Er zit immers een behoefte achter elke onvrede.

Wederkerigheid, vertrouwen en duidelijkheid
Trap niet in de val van de ‘verongelijkte burger’ die vindt dat ‘de overheid’ het maar moet oplossen. De kern van de participatiesamenleving, of het moderne naoberschap, zit voor mij in wederkerigheid, vertrouwen en duidelijkheid. Samen in gesprek over mogelijkheden, experimenten aangaan, initiatieven ondersteunen. Van ‘what’s in it for me?’ naar ‘what’s in it for us?’. Wil iemand alleen maar klagen? Dan houdt het op. Je wilt verandering? Dan gaan we samen op zoek naar mogelijkheden. Heeft het buurtinitiatief toekomst? Jazeker, maar alleen wanneer we elkaar vertrouwen, eerlijk en open zijn, kaders aangeven en duidelijk zijn over de mogelijkheden en onmogelijkheden. Daarbij horen ook duidelijke wederzijdse afspraken. En laten we de kracht van sociale media en nieuwe online platformen niet onderschatten.

Het boek “Digitale Dialoog, de sociale media-almanak voor gemeenten” is integraal of per hoofdstuk te downloaden. Bijdragen van vele experts zoals o.a. trendwatchers Lieke en Richard Lamb, LinkedIn-specialisten Jan Willem Alphenaar en Jacco Valkenburg, innovator en piraat Kim Spinder, Twitterende burgemeester Michael Sijbom, kantelaar Nynke Schaaf en prikkelaar, adviseur en trainer in overheidsparticipatie en maatschappelijke sensitiviteit Marije van den Berg.