Meer zeggen met minder woorden. Dat was mijn leerdoel voor de tweede leergang Retoriek van Jan Vaessen. Ontzettend blij en trots was ik na mijn laatste lezing, afgelopen donderdag. De feedback van de toehoorders was geweldig! Dank voor dit prachtige jaar samen, waarin we op reis gingen naar onszelf en écht contact maakten met de ander. Dankjewel Jan, Sandra, Anook, Madeleen, Leo, René, Pauline, Noor, Willemijn en Guido.

Mijn slotlezing op 11 juni 2015:

Zonder woorden

Een grote tuin bij een hostel in Zarzalejo, een dorp op een uurtje rijden van Madrid. Vogels fluiten en om me heen opgewekte stemmen. Ik ben zelf ook blij en enthousiast. Het is dag vier van een Europese uitwisseling. Met vijftien Nederlanders ben ik in Spanje om samen met twintig Spanjaarden een heel dorp in beweging te krijgen om hun eigen dromen waar te maken. Wat ontzettend gaaf om hier te zijn!

In de tuin staan we te wachten. We gaan een spel doen waarbij samenwerking centraal staat. Jeske begint met haar uitleg. “Er is een overstroming op komst. Er zijn drie plaatsen in Spanje, twee daarvan dreigen onder water te lopen. Het water rukt op en er zwemmen haaien om de dorpen die eilanden zijn geworden.” Dan krijg ik een blinddoek aangereikt. Ik hoor bij de groep die niets kan zien. Bij andere deelnemers worden hun voeten aan elkaar gebonden, zodat ze niet meer kunnen lopen. En de mensen die veilig in Madrid staan mogen niet praten. Zij zijn uiteindelijk de expeditieleiders en moeten de andere groepen naar het hoger gelegen land halen. En ervoor zorgen dat ze niet opgegeten worden door de haaien.

Daar sta ik dan met een blinddoek om. Ik wacht rustig af. Er gebeurt van alles. Ik kan het niet zien, maar vertrouw op de mensen om me heen. Dan wordt ik bij mijn hand gepakt en moet ik op een zogenaamde boot stappen. Er roept iemand:”Pas op die haai!” Ik word geholpen door een medespeler. Binnen no time sta ik op hogergelegen land. Ik ben veilig! En daar sta ik: een blinddoek om, mensen voor en naast me. Ik hoor van alles. Het spel gaat door. Af en toe vertelt Rowena met luide stem wat er gaande is. Als een soort commentator houdt ze iedereen op de hoogte. Daarna gaat het spel weer door. Ik blijf rustig staan. In mijn buik nestelt zich een vreemd gevoel. Het vertrouwen in de groep maakt plaats voor eenzaamheid. Ik sta daar maar, kan niets doen, hoef ook niets te doen. Ik steek mijn hand uit en voel zachtjes aan mijn buurvrouw. Ik pak haar t-shirt vast. Ze laat het toe. Zij kan zien. Ik vraag haar wat er allemaal gaande is. “We zijn bijna allemaal over.” Daarna raak ik het contact weer kwijt. Ik blijf staan. In mijn buik wordt het nare gevoel groter.

Een straat in Zarzalejo. We lopen met z’n drieën door het dorp: Sandra, Camila en ik. We zijn op weg naar het huis van Maria. Sandra kent Maria. Ik wil van alles weten, maar Sandra spreekt geen Engels en ik geen Spaans. Camila vertaalt een beetje, maar na drie dagen ben ik er een beetje klaar mee. Ik kan mezelf niet goed uitdrukken. Ik wil van alles weten, maar door de taalbarrière is de kleinste vraag een enorme opgave. Ik hou mijn mond en kijk goed om me heen. We lopen over een zandweg in het dorp. Overal hoor ik blaffende honden. Het is rond het middaguur en de zon schijnt. Er is geen mens op straat. Het is siësta. Ze zitten in hun huizen en genieten van het middageten. Aangekomen bij het huis van Maria word ik naar voren geschoven. Als Nederlandse kan ik zorgen voor een gesprek. Maar ik spreek geen Spaans. Mijn buik trekt samen. We bellen aan bij Maria. Het blijft stil. Er is niemand thuis. We draaien ons om en Sandra heeft een ander plan. Ze kent nog wel iemand waar we naartoe kunnen. Het is nog steeds stil, stoffig en warm op straat. Ook bij het volgende huis word ik als eerste naar de deur gestuurd. Ik die normaal nooit om een praatje verlegen zit, loop met een bal in mijn buik, naar voren. We bellen aan. Stilte. In de verte blaft een hond. Verder horen we niets. Ook hier doet niemand open.

Wanneer we terug lopen naar het dorpsplein komen we een man tegen. Hij veegt de stoep voor zijn huis. Ik kijk hem glimlachend aan en zeg in mijn beste Spaans: “Muy bien! Bello!” Hij stopt en glimlacht me toe. Ik kijk mijn twee Spaanse collega’s verwachtingsvol aan. Nu zullen ze de man vragen of hij dit vaker doet, waarom hij dit belangrijk vindt en of er ook andere buurtbewoners het stoepje aanvegen. Niets is minder waar: ze groeten hem vriendelijk en lopen door. Vol ongeloof zeg ik de man goedendag. Ik loop achter Camilla en Sandra aan. Ik vraag licht gepikeerd waarom ze hem niets vroegen. We zijn toch op zoek naar betrokken dorpsbewoners? Deze man laat al zijn betrokkenheid zien en zij zien het niet! Ze zijn op zoek naar mensen in huizen die niet thuis zijn. Ze kijken me verbaasd aan. Na een paar woorden in het Engels en wat Spaanse tussen hen twee snappen ze het. Ze kijken me aan en vragen of we terug zullen gaan. Achter hen zie ik de man zijn stoep vegen en ons een beetje argwanend aankijken. “Wat staan die drie vrouwen te overleggen?” zie ik hem denken. Het lijkt me niet verstandig nu terug te gaan. Het voelt als een aanval. Terwijl we verder lopen bouwt mijn frustratie zich verder op. Ik heb hier een bijdrage te leveren, maar doordat ik de taal niet spreek houdt het op! We lopen nog een half uur doelloos door de straten. Mijn frustratie neemt toe. Ik heb zin om even flink te huilen.

Bij de evaluatie op dinsdag gaan we in groepjes uiteen. We zitten lekker in het zonnetje op het gras in de grote tuin van het hostel. Ik voel me geweldig. We hebben geweldige dagen beleefd en de dorpsbewoners hebben elkaar gevonden. Ze hebben écht contact gemaakt met elkaar en samen gebouwd aan hun dromen. Die avond zou een oude Marrokkaanse man zeggen:”Ik ben bijna tachtig en vandaag is mijn leven veranderd!” Maar zover is het nog niet. Eerst zelf terug kijken op de afgelopen negen dagen. Eén van de vragen is ‘Wat vond je een vervelende opdracht en waarom?’. Ik denk gelijk terug aan het moment met de blinddoek om. “Wat een stóm spel!” Iemand vraagt me waarom het zo vervelend was. Na een paar woorden krijg ik een brok in mijn keel en begin te huilen. “Ik voelde me zó alleen! Ik stond daar maar. Ik kon niets zien. Ik had vertrouwen in de mensen om me heen, maar ik kreeg geen contact. Niemand keek naar me om! En toen ik vroeg om een uitleg, kreeg ik die wel, maar daarna ging iedereen weer door. Waarom hield niemand mijn hand vast?”

Ik realiseer me dan ineens dat ik het contact mis, écht contact. Niet persé in woorden, maar een diep geworteld gevoel dat ik erbij hoor. En dan besef ik me ook dat ik zelf vaak voorbij ren, zonder echt contact te maken met anderen. Kunnen mensen mee in mijn tempo, spreken we elkaars taal? Zijn we verbonden in alle fasen van een project, een vriendschap, een relatie?

Bij het afscheid op woensdag komt Leo naar me toe. Hij bedankt me:”Je bent zo fijn aanwezig. Altijd op het juiste moment op de juiste plek. Een kleine aanraking, zonder woorden.” Ik kijk hem verbaasd aan. Zij hij dat echt? Een traan welt op in mijn ooghoek. Ik ben geraakt. Ik heb steeds het gevoel gehad dat ik niet bij kon dragen, doordat ik geen Spaans sprak. Ik was zo gefrustreerd door al dat vertalen, het niet kunnen uitdrukken. Ik die altijd het voortouw neemt, was deze week vooral op de achtergrond en dienend. Wat ontzettend fijn dat Leo met deze woorden bij me komt. ”Je bent zo fijn aanwezig. Altijd op het juiste moment op de juiste plek. Een kleine aanraking, zonder woorden.”